Project vakdidactiek
dossieropdracht 8: interviews over proefwerken en toetsen
Aan twee collega’s heb ik onderstaande vragen voorgelegd. Eén wiskundeleraar, Ep, en mijn teamleider, Jan, die zelf Nederlands en geschiedenis geeft.
Omdat het al dan niet voorlezen va cijfers zoveel reactie oproept, heb ik aan het eind van het gesprek ook aan hen gevraagd hoe zij dat doen. De antwoorden van collega’s staan cursief tussen de vragen.
Na de vragen schrijf ik een reactie.
interview collega
1. Hoe bereken jij cijfers?
2. Gebruik je altijd de normering van de methode?
3. Als je die aanpast, waarom doe je dat dan?
Jan: Ik bereken de cijfers zoals we dat op school hebben afgesproken (toets 2x, so 1x, gemiddeld cijfer voor overhoringen). Ik wijk van die weging niet af. Ik gebruik meestal de normering van de methode. Als er bij een overhoring of repetitie geen normering staat, houd ik de 60% regel aan: dat percentage moet een voldoende halen. Als ik toch een normering aanpas, heeft dat te maken met het niveau van de leerlingen.
Ep: Ik houd meestal de normering van de methode aan. Als ik hem al aanpas, dan in overleg met de sectie. De normering van de vh-brugklas wordt overlegd met de afdeling havo/vwo (andere vestiging, wij hebben alleen een vh-brugklas, geen havo-vervolg).
4. Let je op een bepaalde verdeling van de cijfers, bijv. 25% o, 50% v, 25% g?
Jan: Ik houd die verdeling wel aan als ik zelf een normering maak.
Ep: Ik let niet op die verdeling. Een bestaande normering laat ik hetzelfde. Vooral vanwege de vergelijkende waarde met voorgaande jaren.
5. Pas je de cijfers wel eens aan als een repetitie slecht gemaakt is?
Jan: Nee nooit. Als een repetitie slecht gemaakt is, is er iets misgegaan. Bij de leerlingen of bij mezelf. Meestal laat ik de repetitie dan opnieuw maken.
Ep: Ik pas de cijfers niet aan. Wel geef ik soms een herkansing.
6. Wat doe je als er geen enkele onvoldoende is gevallen voor een repetitie?
Jan: Mezelf feliciteren!
Ep: Dan ga ik dus ook niet de cijfers aanpassen. Liever kijk ik dan of er iets aan de toets aangepast moet worden.
Onderstaande vragen zijn meer stellingen, waar ik een reactie op gevraagd heb.
7. Cijfers scheppen een ongezonde competitiegeest.
eens/oneens, want
Jan: Oneens, cijfers zijn een waarderingsmiddel.
Ep: Oneens. Sommige leerlingen hebben wel de neiging om te gaan brallen; dat bluf ik af. Die werking wil ik niet. Hard werken mag beloond worden met een goed cijfer, maar een iets lager cijfer is ook gewoon een waardering voor het gedane werk.
8. Cijfers zijn onmisbaar als motivatiemiddel
Jan: Leerlingen willen graag vergelijken. In die zin zijn cijfers wel onmisbaar, cijfers zijn heel duidelijk.
Ep: Onmisbaar is misschien wat te sterk uitgedrukt. Zeker voor de bovenbouw, maar ook voor de onderbouw, zijn ze wel een stok achter de deur en in die zin een goed instrument voor de motivatie. Een portfolio geeft veel minder een beeld over de mate waarin leerlingen de stof begrijpen.
9. Verbale rapporten geven een beter inzicht in de geleverde prestaties van de lln dan cijfers.
eens/oneens, want
Jan: Oneens, verbale rapporten zijn niet berekenbaar.
Ep: Verbale rapporten kunnen een anvulling zijn op de cijfers. Maar wat doen ouders er vervolgens mee. Die willen toch cijfers zien, of weten wat een bepaalde opmerking voor cijfer inhoudt. Voor de bbl is het misschien wel een goed idee om bij de rapporten ook wat opmerkingen op te schrijven. Vanwege de gedragsproblemen die daar vaak spelen.
We moeten wel oppassen voor te hoog cijferen. Dat geeft een vertekend beeld.
En bij doorverwijzing vanaf de basisschool is een mondeling advies wel onmisbaar. Alleen toetsuitslagen zeggen dan te weinig.
10. Verdeel 100 punten tussen verbaal en cijfers
Jan: verbaal 10 – cijfers 90
Ep: verbaal 20 – cijfers 80
Extra vraag: Lees je cijfers voor?
Jan: Ja, ik lees ze voor en als leerlingen hun werk dan willen inzien, geef ik het aan hen. Meestal willen ze het niet meer zien. Alleen leesverslagen deel ik wel uit.
Waarom ik het zo doe? Goede vraag eigenlijk. Misschien moeten we het er eens over hebben in een vergadering.
Ep: Nee, ik lees cijfers niet voor. Ik deel het werk gewoon uit en dan vertellen ze het wel aan elkaar als ze dat willen. Ik vind het voor degene die een onvoldoende heeft niet fijn om ze voor te lezen.
Mijn reactie:
Al met al zitten er behoorlijke verschillen in de antwoorden van Jan en Ep. De afspraken over de weging van cijfers, waar Jan het over heeft, zie ik niet echt bij Ep terug. Zelf heb ik altijd de weging gevolgd van ons registratiesysteem, die wel op hetzelfde neerkomt. En kleine overhoringen voer ik ook als gemiddelde in. Dat daar ook afspraken over lagen, wist ik helemaal niet. Ik ga daar preciezer naar op zoek. Ik denk wel dat iedere collega (inclusief Ep) volgens die afspraken handelt, het is alleen de eerste keer dat ik er iemand over hoor.
Jan is wat rechtlijniger in zijn aanpak dan Ep. Een beetje vanuit gewoontes die hij in de loop van de jaren heeft ontwikkeld. Ik krijg de indruk dat hij zich niet heel vaak afvraagt of hij nog hetzelfde denkt over de dingen als tien jaar geleden. Dat bleek wel weer uit zijn antwoord over het cijfers oplezen. Hij was echt een beetje verrast toen ik hem vroeg waarom hij dat voorlezen deed en hem vertelde waarom ik het juist niet doe. Zo had hij het nog nooit bekeken, zei hij letterlijk. Jan is overigens wel altijd geïnteresseerd in andere zienswijzen. Dus wie weet waar dit nog eens toe leidt.
Beide collega’s denken hetzelfde over de betekenis van cijfers: een waardering voor gedane arbeid.
Ook aan de leerlingen heb ik de vraag over het voorlezen van cijfers gesteld. Zij bleken ongeveer zo te reageren als ik dacht dat ze zouden doen (zie interview leerlingen). Wat mij sterkt in het doorgaan op deze weg als het gaat over cijfers voorlezen.
Het nut van cijfers komt uit beide verhalen wel naar voren. Ik kan me daar goed in vinden, vooral met de aanvulling dat soms een mondelinge toelichting wel gewenst is. Ik denk dat het klopt dat cijfers een veel duidelijker beeld schetsen van de stand van zaken van leerlingen. Niet omdat het op een andere manier niet zou kunnen, maar omdat ouders en vaak ook de leerlingen zelf cijfers het beste kunnen vertalen naar wat zij dus gepresteerd hebben. Zolang je in woorden blijft spreken, krijg je toch steeds de vraag wat het dan voor cijfer zou zijn als je wel cijfers zou geven. Dat was zo op de basisschool waar ik heb gewerkt. Dat kan soms verwarring opleveren. Cijfers zijn wat dat betreft echt duidelijker.
Project vakdidactiek
dossieropdracht 8b: interviews over proefwerken en toetsen
Interview een aantal leerlingen over het gebruik van cijfers en de effecten ervan op het leergedrag. Maak van de interviews een verslag.
De volgende vragen heb ik aan vijf leerlingen (2T) voorgelegd. Bij de keuze heb ik er zoveel mogelijk op gelet dat het een heterogeen groepje werd qua prestaties en leerhouding. Hun namen geef ik aan met letters.
Onder iedere vraag geef ik (cursief) een reactie op de antwoorden.
1. Als je een onvoldoende haalt, word je dan meer gemotiveerd om harder te werken of juist minder?
A:Meer.
B:Juist meer.
D:Meer.
H:Juist meer.
D:Meer.
Opvallende eensgezindheid. Je zou zeggen dat dit heel sterk pleit vóór het geven van cijfers. Alhoewel ik als docent niet zo vaak deze reactie waarneem. Twee van de vijf leerlingen hebben het momenteel heel druk met andere dingen om hen heen, en ook een slecht cijfer verandert in ieder geval niet of heel weinig aan hun werkhouding.
2. Werk je voor een bepaald cijfer (bijvoorbeeld: een zesje vind ik goed genoeg)?
A:Voor bepaalde vakken wel.
B:Nee, ik probeer wel goed te leren.
D:Voor een voldoende.
H:Nee, ik maak gewoon de repetitie, dus niet voor een bepaald cijfer.
D:Voor een 7.
Geen opvallende antwoorden. Wel passend bij het type leerling, dat ze zijn. B bijvoorbeeld is een leerling die graag goede cijfers haalt. Ze is heel precies en vraagt vaak om hulp als iets niet lukt.
3. Is er in de klas concurrentie om bijvoorbeeld het beste cijfer te halen? Zo ja, zou dat ook zo zijn als je geen cijfer kreeg, maar een beoordeling in woorden?
A:Er is geen concurrentie.
B:Ja.
Dan zou het minder zijn, maar dat vind ik niet leuk.
D:Nee.
H:Nee.
D:Ja, onder de jongens. Als er alleen een beoordeling was, dan niet.
Grappig, de twee die aangeven dat er concurrentie is, zijn beide harde werkers. Kennelijk is er in hun directe omgeving, lees: groepje gelijkgestemden, wel concurrentiegevoel. Overigens heb ik niet de indruk dat het als vervelend wordt ervaren. De zo-ja-vraag blijft een beetje liggen. Dezelfde twee leerlingen geven wel aan dat een beoordeling in woorden minder concurrentie zou betekenen, maar B zou dat in ieder geval niet leuk vinden…
4. Krijg je liever een cijfer of een beoordeling in woorden? Waarom?
A:Een beoordeling.
B:Een cijfer, anders weet je niet wat je hebt.
D:Een beoordeling in woorden. Dan leggen ze uit wat je fout doet.
H:Een cijfer. Dat ben ik gewend.
D:Een cijfer. Dan kun je weten of je beter je best moet doen.
Ook hier gebeurt iets opvallends: de twee die kiezen voor de beoordeling komen van een basisschool waar ze alleen bolletjes met verbale aanvulling op hun rapporten kregen. Ze zijn dus gewend aan beoordeling in woorden. Daarnaast zijn beide geen sterke leerlingen. Verbale beoordelingen zijn minder pijnlijk dan onvoldoendes.
De andere drie geven een duidelijke reden voor hun keuze voor een cijfer: een cijfer is duidelijk.
5. Wat vind je van een leerling die altijd heel goed zijn best doet en hoge cijfers haalt? Denkt ongeveer iedereen in de klas er zo over volgens jou?
A:Dat vind ik erg goed.
B:Ik vind het niet fijn als ik mijn vinger op moet steken als ik het antwoord weet. Dan denken ze misschien: Jij weet het weer beter.
D:Leuk voor hem.
H:Ik word niet jaloers of zo, maar vind het jammer dat ik dat niet kan.
D:Ik heb er geen problemen mee.
Deze antwoorden vind ik vooral veel zeggen over de sfeer in deze klas. Die is over het algemeen goed. Alleen B, die zelf zo’n leerling is, wil vooral niet gezien worden als een “stuudje”. Onduidelijk is of de klas dat ook echt zou vinden. Ik denk het eigenlijk niet.
6. Als je een zware onvoldoende haalt, word je dan door de leraar daarop aangesproken?
A:Soms.
B:Nee.
D:Niet altijd.
H:Nee.
D:Ja, soms wel, maar niet door iedereen.
Dit is kennelijk nogal wisselend.
7. Hoe reageren je ouders op jouw cijfers (goede, matige en heel slechte cijfers)?
A:Soms goed, soms slecht.
B:Goede: mooi zo, matige: ook wel goed, slechte: beter leren.
D:Goede: goed, matige: beetje goed, slechte: minder goed.
H:Ze weten dat ik wiskunde moeilijk vind, dus ze begrijpen het en zeggen: volgende keer nog beter je best doen.
D:Goede: zijn ze trots, matige: zeggen ze dat ik er meer aan kan doen, slechte: nou, volgende keer beter doen.
Gelukkig hebben deze leerlingen behoorlijk begrijpende ouders. In gesprekken met ouders heb ik wel gemerkt dat ze niet het gevoel hebben dat ze nog al te veel invloed kunnen hebben op het leergedrag van hun kinderen. Ze willen wel helpen als het niet goed gaat, maar de leerlingen zelf willen dat niet. Ze puberen en willen het zelf oplossen. De invloed zit ‘m nog het meest in beloning als het cijfer beter wordt, of iets niet mogen als dat niet gebeurt.
8. Wat vind je ervan als cijfers hardop worden voorgelezen in de klas?
Antwoord zo:
Ik vind dat prettig, want …
Ik vind dat niet prettig, want …
A:Niet, want soms schaam je je dan.
B:Wel, want dan kun je een beetje zien wat anderen hebben en of je niet de enige bent, die het een moeilijk of makkelijk hoofdstuk vond.
D:Maakt niet uit.
H:Niet, het zijn altijd slechte cijfers en de rest heeft dan goede cijfers. Ze praten er dan zo over tegen mij van: ik heb dit of dat, en zo…
D:Wel, dan weet je wat iedereen heeft. Niet, want soms heb ik een slecht cijfer en dan vind ik dat niet fijn.
Deze vraag heb ik erbij gedaan vanwege het aanzwengelen laatst in de opdracht over het evalueren van repetities. Het feit dat ik stellig geen cijfers voorlees, gaf best wat reacties op mijn blog. Ook thuis hadden we het erover toen ik deze vragen zat te bedenken. Er zijn natuurlijk ook argumenten vóór te bedenken. Dus toen dacht ik: dan kan ik het het beste aan de leerlingen zelf vragen. En zie hier, de leerlingen die meestal goede cijfers halen, hebben er niet zo’n moeite mee (B en tweede D, behalve als ze een slecht cijfer hebben), eerste D laat zich er niet zo over uit (hij haalt voor sommige vakken regelmatig onvoldoendes), maar de reden dat ik het niet doe, wordt duidelijk aangegeven: als je een slecht cijfer hebt, is het helemaal niet leuk als dat voorgelezen wordt. Ik blijf het dus gewoon niet doen…